Salix cinerea
Grauwe wilg, Grijze wilg
Forse struik tot kleine boom met een bolronde kroon, gewoonlijk niet hoger dan circa 5 m. De jonge twijgen zijn grijsgroen en de eerste twee jaar grijsviltig behaard. Een oudere bast is grijsbruin en glad, op latere leeftijd met ondiepe lengtegroeven. De bladeren zijn elliptisch tot omgekeerd lancetvormig. De bovenkant is iets dofgroen en zeer kort behaard. De onderzijde is dicht grijsviltig behaard. De half hartvormige steunblaadjes blijven het gehele seizoen aan de bladvoet aanwezig. In april rijpen de katjes. De mannelijke katjes zijn circa 5 cm lang en groengeel. De vrouwelijke katjes zijn lichtbruin en in het vruchtstadium circa 8 cm lang. Groeit op vrijwel iedere bodem, ook op zeer arme. Verdraagt geen droogte maar wel natte tot moerassige grond. Hierdoor is de boom geschikt als oeverbeplanting.
Hij staat net zo mooi in een perk als in een haag en brengt een vleugje licht en wilde gratie in de tuin. Snoei hem elk jaar na de bloei om hem te dwingen uit te breiden en veel bloeiende takken te produceren. Je kunt hem bijvoorbeeld combineren met kornoeljes, Corylus of bloeiende kersen in een open haag waar de grond fris en vochtig blijft.
Beknopte eigenschappen
| Hoogte volgroeide plant: |
4 - 5 M |
| Bloemkleur: |
geel, grijs, groen, wit |
| Standplaats: |
zon, halfschaduw |
| Grondsoort: |
alle |
| Vorm: |
opgaand, bolvormig |
Bloeiperiode
| | X | X | | | | | | | | |
| jan | feb | maa | apr | mei | jun | jul | aug | sep | okt | nov | dec |